Kort geheugen

In een museum met oude schilderkunst kun je op verschillende manieren naar de voorstellingen kijken. Meestal staat de mens, een landschap, een gebouw of het geloof centraal. Een andere manier van kijken is naar welke bomen, planten, dieren en vogels er voorkomen in een schilderij. Fotografie bestond toen nog niet, net zo min als inventarisatie van aantallen en soorten. De enige manier om een indruk te krijgen van hoe flora en fauna er vroeger uitzag is door het bestuderen van oude verslagen en kunst.

Op bijna elk schilderij waar mensen op afgebeeld staan valt ook wel een insect, dier of vogel te herkennen. Soms prominent, maar meestal ergens aan de zijkant of op de achtergrond. Ze vormen een soort van tweede tijdlijn door de geschiedenis, naast die van de mens. Soms zie je een vreemde vogel in een schilderij van Breughel of een varken met een wel erg lang en plat hoofd. Honden en katten komen ook veelvuldig voor en ook die zien er soms anders uit. Dit studiegebied noemen ze historische ecologie en is vreselijk interessant.

Behalve het uiterlijk zijn ook de aantallen veranderd, en hier is er iets mis met ons geheugen. De Belgische expert op het gebied van historische ecologie Guido Tack noemt dit natuuramnesie. In de de milieuwetenschappen en gedragspsychologie wordt dit fenomeen beschreven als Shifting baseline syndrome en beschrijft ‘hoe mensen hun perceptie van wat normaal is in de natuur voortdurend aanpassen. Elke generatie beoordeelt de toestand van ecosystemen op basis van haar eigen ervaringen, waardoor het collectieve besef van milieudegradatie vervaagt’. Het is ook toe te passen op ons eigen leven. Naarmate we ouder worden verschuift ons gevoel van wat normaal is. Handig, want dan acccepteren we makkeijker dat we niet meer zoveel kunnen als toen we nog jong waren.

Als je op een zomerdag door een veld loopt met gras en bloemen en je ziet her en der een vlinder of een bij, en in een struik aan de rand van het bos zit een vink, zou je de indruk kunnen krijgen dat het wel prima gaat met de natuur. Maar ons referentiepunt is ons eigen geheugen. Als ik met een kind bij een struik zou staan waar twee bijen heen en weer vliegen, zou dit kind kunnen roepen dat dat een hele hoop bijen zijn. Maar dan is er mijn eigen geheugen dat me doet herinneren aan de tientallen meters aan struiken langs de flat waar ik opgegroeid ben. In de zomer waren de struiken heel weelderig en de takken hingen over de smalle doorgang van de weg naar het grasveld erachter. Je was een waaghals, een held, als je tussen die struiken door naar het grasveld durfde te rennen. Als je op een willekeurige plek bij de struiken ging staan kon je binnen een paar meter tientallen bijen, hommels en wespen zien rondvliegen.

Of mijn balkon. Toen ik hier pas kwam wonen moest ik in de zomer en herfst soms even de balkondeur dichtdoen om de vliegen, bijen en wespen buiten te houden. Het vliegengordijn dat nu in de deur hangt, hangt er vooral vanwege de kleurige sliertjes en het ritselende geluid. Insecten zie ik nog maar zelden.

Een paar foto’s van schilderijen met dieren, gemaakt in een museum in 2024: